"Toch vond ik het een fijne tijd"

Margriet Haenen-Warnier uit Eijsden

Margriet Haenen-Warnier is 16 als de bevrijding plaatsvindt. Haar ouders hebben een café aan de Vogelzang in Eijsden. Het is er altijd volle bak. Zeker rond de oorlogstijd, als de familie achtereenvolgens ‘Hollanders’, Duitsers en Amerikanen te gast heeft. Inmiddels is ze 91, maar ze herinnert zich die tijd als de dag van gisteren.

"Als wij gingen slapen, stonden de Amerikanen aan onze deur te rammelen."

De ene na de andere anekdote schudt mevrouw Haenen uit haar mouw. Pretogen in een gerimpeld gezicht. “Je was niet meer vrij in huis”, zegt ze, “maar toch vond ik het een fijne tijd. Er gebeurde wat.” De oorlog heeft de familie Warnier niet zien aankomen. “Die Pruisen komen nooit van z’n leven”, zeggen haar ouders vaak. Maar ze komen toch.

In de krant staat dat Duitse soldaten je ogen uitsteken. Dus als de oorlog uitbreekt, zoeken de 12-jarige Margriet en haar zus een verstopplek op. Als de familie even later op de vlucht slaat, moeten vader en moeder Warnier eerst op zoek naar twee van hun dochters. De familie vlucht de kelder in. Maar ook daar wordt het snel te gevaarlijk. Duitse soldaten helpen ze om weg te komen. Onderweg komen ze gewonden tegen, jongens van wie het halve been open ligt. Maar ze moeten door.

Tijdens beschietingen duiken ze op de grond, de kogels fluiten over hun hoofden. Tussen het schieten door gaan ze verder: eerst naar het station, dan de fabriek, weer later naar Fort Mesch. Ze worden vergezeld door een Hollandse kostganger uit het café, die zingt: “De paden op, de lanen in.” Via de Mescherberg komen ze uiteindelijk in Banholt terecht. De kostganger regelt eten bij de Duitse troepen. “Anders”, zegt mevrouw Haenen, “waren we van de honger omgekomen.” 



Als ze na de invasie weer thuiskomen, is alles stuk. Plafonds hangen aan flarden, matrassen zijn kapotgeschoten. Het huis is door mensen uit het dorp geplunderd. Mevrouw Haenen: “We hadden niks meer, ook geen speelgoed. Dat vonden we verschrikkelijk, je had vroeger niet veel speelgoed.” Veel geld is er niet, toch moet de familie opnieuw beginnen. Terwijl het huis wordt opgeknapt, slapen ze bij anderen. “In onze bedden zaten grote granaatscherven. Daar hebben we nog ik weet niet hoe lang in geslapen. Je kreeg niks nieuws.”

Eenmaal terug in hun eigen huis is de rookstoel een geliefde plek. Maar op een dag is die stoel verdwenen. Als ze later met haar zussen wil gaan spelen in het oude, leegstaande huis achter het café ziet ze hem staan. In de rookstoel ligt een Canadese vliegenier, die er door de Ondergrondse is verstopt. Mevrouw Haenen lacht: “Wij naar huis: “ma, ma, er ligt een soldaat!” Mijn moeder beet ons toe dat we onze mond moesten houden. Het café zat vol met Duitsers.” Een dag later is de Canadees verdwenen, de grens overgebracht.

De gebeurtenis tekent de onschuld van het kind, ook in oorlogstijd. In de keuken hangt, onder de radio, een bord met een afbeelding van Bernard en Juliana. Als een Duitse soldaat het ziet, gooit hij het scheldend op de grond. “”Schweinehund”, riep hij”, vertelt mevrouw Haenen, terwijl ze een denkbeeldig bord op de grond smijt. “Ik hing het, als kind, gewoon weer op. Ik begreep het niet.”



Dat is aan het begin van de oorlog, als de zussen wakker liggen van de vliegtuigen en het luchtafweergeschut. Aan het einde van de oorlog jagen vliegende bommen de bewoners van Eijsden de schrik om het hart. “Je hoorde ze zoemen”, vertelt mevrouw Haenen, “als het geluid stopte gingen ze af. Dat was akelig. Je wist nooit wanneer ze stopten.” De Duitsers schieten de bommen af in de richting van de bevrijdingstroepen, die gestaag dichterbij komen.

Onder het dak legt Margriet kleine medaillons, heiligenspeldjes, om de bommen af te weren. “We hebben wat afgebeden”, zegt ze. “Moeder zei: we vluchten niet meer. Het is toch overal hetzelfde.” Met dekens maken ze de bierkelder bewoonbaar. De bevrijding beleven ze met drie gezinnen in die kelder. Tot iemand de bevrijders signaleert: “Ze zijn hier, ze zijn hier!” Buiten zwaaien ze naar elke Amerikaan die ze zien. Opgetogen én verbaasd, want Amerikanen hadden ze niet verwacht.



Al snel wordt een aantal bevrijders in het café ondergebracht. Sommige Amerikanen gaan langs de deuren met chocolade en kauwgom. “Je hoorde ze niet aankomen”, vertelt mevrouw Haenen. “Ze marcheerden niet, zoals de Duitsers.” Soms bekruipt haar een vreemd gevoel, zoals die keer in de keuken. “Dan stond er weer eentje achter me.” Met drie inwonende dochters - de vierde en oudste is al getrouwd en uit huis - hebben vader en  moeder hun handen vol. Want de zussen Warnier zijn mooie meiden, dat zien onze bevrijders ook.

“Als wij gingen slapen, brachten pa en ma ons naar bed”, lacht mevrouw Haenen, “en sloten de kamer af. Dan stonden die Amerikanen aan de deur te rammelen. Wij waren bang dat ze door het sleutelgat keken en ons in onze onderbroek zagen staan.” Want de bevrijders hebben nogal een reputatie. ‘Sjerp’ noemt mevrouw Haenen ze, ‘hitsig’. “De kapotjes lagen op straat. Wij dachten dat het ballonnen waren en bliezen ze op. Als de boeren in die tijd met een hooivork de wei in gingen, zat daarna op elke punt een condoom.”

Een Amerikaanse kok, die ook bij ze ingekwartierd is, heeft een oogje op één van haar zussen. Bij Margriets vader roemt hij de schoonheid van zijn dochter. “Voor een pakje sigaretten mag je haar hebben”, grapt die. Twee weken nadat de kok naar Duitsland is vertrokken, staat hij met een geestelijke voor de deur. Hij wil de hand van Margriets zus, maar die ziet het plan niet zitten. De rest van de familie evenmin. “We hebben moeite moeten doen dat uit zijn hoofd te praten.”



Mevrouw Haenen kan uren vertellen. Over de vleermuis die haar zus tijdens de oorlog, na de avondklok, met een broek van haar moeder vangt. En hoe ze die broek per ongeluk mee het raam uit gooit. Over die keer dat onze bevrijders met veel tumult voor de wasserette staan, allemaal een damesbroekje in hun handen. Hoe ze hun mooie platen draaien op vaders grammofoon, en iedereen naar het café komt om te dansen. Over de Amerikaanse dokter die bij de bevalling van haar oudste zus het kindje haalt. Over het verdriet dat je in Amerikaanse ogen ziet.

Het zijn verhalen over onschuld en avontuur, liefde en vriendschap. Verhalen over het leven dat, ook in oorlogstijd, gewoon doorgaat. In haar vergeelde poesiealbum staat op de ene pagina een Duits, op de volgende een Amerikaans versje. De bezetter had een gezicht, net als de bevrijder. “Als we nu een oorlog krijgen”, zegt ze, “is hij tien keer erger.”