"Je zit er om de bevolking te helpen"

Maarten Bannier uit Eijsden

Al bijna twintig jaar doet Maarten Bannier dienst bij het Korps Mariniers. In die jaren is hij drie keer op uitzending geweest: naar Irak, Afghanistan en Somalië. Hij weet wat oorlog met mensen doet, en hij weet wat er nodig is om de vrijheid te bewaken.

"Mariniers zijn overal inzetbaar. In oorlogen, bij drugsbestrijding, tegen piraterij. Dat vergeten mensen vaak."

Bij veteranen denken we vaak aan vroeger, aan de bevrijders die 75 jaar geleden voor onze vrijheid vochten. Zeker in onze regio, met de Amerikaanse Begraafplaats om de hoek, ligt die gedachte voor de hand. Maar ook nu zetten militairen zich elke dag in voor onze vrijheid.

Maarten: “Mensen vergeten vaak hoe druk het nu bij defensie is. Als marinier werk je in oorlogsgebied of in gebieden waar de wederopbouw na een oorlog nog gaande is, zoals Irak en Afghanistan. Maar we helpen ook mee met de drugsbestrijding in het Caraïbisch gebied, we beveiligen burgerkoopvaardijschepen tegen piraterij voor de kust van Somalië. We zitten op Sint Maarten, Aruba en Curaçao en bieden hulp tijdens het orkaanseizoen.”

Ook voor trainingen vliegen mariniers de hele wereld over. “We moeten overal inzetbaar zijn”, licht Maarten toe. “In de sneeuw, de woestijn, de bergen, de jungle. Daarom trainen we onder de meest extreme omstandigheden. Zodat we kunnen overleven bij -30 graden, maar ook bij +40.” Niet voor niets luidt het motto van de mariniers ‘qua patet orbis’ (zo wijd de wereld strekt).

Zijn eerste uitzending vindt plaats in 2003. Maarten is 21, net drie jaar in dienst bij Defensie. Terwijl hij door een fotoalbum met oude foto’s bladert: “Je hebt geen idee waar je naartoe gaat. Natuurlijk heb je wel een beeld, je hebt met je groep getraind. Maar ik vond het vooral stoer om naar Irak te gaan.” De uitzending is spannend, het gebied veel rustiger dan verwacht. De ergste gevechten zijn al voorbij.

In Afghanistan, zeven jaar later, is de sfeer grimmiger. De missie is gevaarlijker dan die in Irak. Overal liggen geïmproviseerde bommen (zogenaamde IED’s, Improvised Explosive Devices), gemaakt van alles wat voorhanden is: schroeven, spijkers, stukjes lood. Tijdens zijn uitzending komen twee collega’s (de 29-jarige korporaal Jeroen Houweling en de 23-jarige marinier Marc Harders, red.) door zo’n bom om het leven.

“Het sneuvelen van deze twee militairen herinnert ons er op tragische wijze aan dat het werk in Uruzgan nog lang niet klaar is’’, zou toenmalig commandant der strijdkrachten Van Uhm daar in een reactie in dagblad Trouw over zeggen. Nog steeds zijn Nederlandse militairen in het gebied actief. Ten tijde van Maartens uitzending voor wederopbouw en stabiliteit, nu trainen ze lokale mensen zodat het land een eigen leger- en politiemacht kan opbouwen.

“Je zit er om de bevolking te helpen”, vertelt Maarten over zijn eigen missie. “Je loopt patrouilles om de rust te bewaren.” De bevolking houdt afstand, mede omdat ze bang is voor represailles door de Taliban. Dat is een groot verschil met onze eigen bevrijding 75 jaar geleden, waar bewoners de straat opgaan om samen met de Amerikanen de vrijheid te vieren. Toch merken ook Maarten en zijn collega’s dat mensen blij zijn met hun aanwezigheid. “Zij kunnen hun leven weer opbouwen.”

Thuis voelt hij die waardering minder. Misschien heeft dat te maken met het ontbreken van een sterke militaire traditie. Nederland is geen uitgesproken patriottistisch land. Bovendien is het soms lastig uit te leggen wat het werk als marinier precies inhoudt. Ook de politieke discussie, waardoor de zin van militaire operaties voortdurend in twijfel wordt getrokken, kan een rol spelen. Maarten: “De vraag is altijd of het helpt wat je gedaan hebt.”

Onze bevrijders hoefden zich over die vraag niet druk te maken. De bevolking houdt ze, terecht, nog steeds in ere. Daarmee is het contrast met de geringe aandacht voor onze huidige militairen groot. Jammer is dat wel. In landen als Frankrijk en Amerika is de publieke waardering voor veteranen groot. Maarten: “Als wij in Amerika op oefening zijn en in ons tenue rondlopen, worden we constant aangesproken. Mensen bedanken je voor je inzet. In Nederland gebeurt zoiets niet.”

Meer aandacht voor het belang van de Nederlandse missies zou kunnen helpen. “We moeten beter uitleggen waarom we op al die plekken zitten. Dat we partnerschappen met andere landen zijn aangegaan, zodat we elkaar kunnen helpen als dat nodig is. Dan beseffen mensen beter wat wij allemaal doen.”

Toch had Maarten zijn uitzendingen niet willen missen. “Voor de achterblijvers is een uitzending moeilijk. Maar daar doe je het voor, daar train je voor. Het is net als met voetbal: je wilt niet alleen maar op de reservebank zitten. Het thuisfront zet je uit, daar denk je niet aan. Dat haalt je uit je concentratie.”